Het is weer veeprotesttijd. Trekkers, rook en vuur, Nederlandse vlaggen, boos over de stikstofplannen en over vergunningen die zijn ingetrokken. De actievoerders noemen zichzelf de boeren. Alle boeren.
Maar tel de trekkers op de snelweg en je telt vooral vee. Ruim de helft van de landbouwbedrijven in Nederland houdt dieren, de rest verbouwt groente, fruit, aardappelen, bloemen. De meeste boerentrekkers staan stil, blijven buiten het protest.
De Nederlandse vlag hangt aan de trekker. Het is een oud gebaar met nieuwe lading: de boer als laatste drager van een Nederland dat we kwijtraken. Het weiland, de sloot, de zwart-bonte koe, dat plaatje staat op elk pak boter en in elk schoolboek.
Maar dat plaatje is misleidend. Veel dieren staan op stal, vooral varkens. Het weidse, groene, door koeien bevolkte platteland dat nu tot nationaal erfgoed wordt verklaard, is voor het grootste deel een product van de twintigste eeuw, van kunstmest, ontwatering en schaalvergroting. Er is geen eeuwenoud verbond tussen de Nederlander en de melkkoe dat nu wordt verraden. Het naoorlogs landbouwmodel loopt tegen eigen grenzen op.
Dat is het valse in het sentiment. Niet dat er geen pijn is, die is reëel. Hele gezinnen die hun bedrijf en hun identiteit zien wankelen verdienen geen spot. Maar de vlag suggereert dat wie het veehouderbedrijfsmodel verdedigt, het land verdedigt.
Alsof Nederland ophoudt te bestaan zonder een miljoenenveestapel. Terwijl de rekening anders vertelt: de veehouderij, hele keten inbegrepen, is 1,5 procent van het bbp. Onderzoeksbureau Ecorys berekende, in opdracht van Greenpeace, dat de veehouderij Nederland in 2018 6,6 miljard euro kostte aan schade aan natuur, klimaat en gezondheid. Ongeveer 90 procent van de Nederlandse ammoniakuitstoot komt uit de landbouw, en daarvan komt ruim de helft uit de rundveehouderij. Dat is geen bijkomstige schade aan de rand van een gezonde sector. Dat zit in de kern van het verdienmodel.
We hebben geen natie van veeboeren nodig om te eten. We hebben er een paar nodig, op ecologische schaal voor begrazing: de venen, de natte klei, de plekken waar een akker verzuipt maar een koe overleeft. De rest kan beter om. Groente, granen, peulvruchten voor de markt, in plaats van eerst door een dier. Dat is geen verarming van het platteland. Dat is een ander platteland, en niet per se een dat minder Nederlands is dan het huidige.
In Zutphen vormden tientallen tractors de tekst ‘onze maat is vol’ in het weiland. Inderdaad de juiste woorden: de maat is vol. In 1950 had een gemiddeld varkensbedrijf zeven varkens. Nu zijn dat er ruim zestienhonderd. Het aantal varkens in Nederland steeg sinds 1950 met een factor 6,7, niet omdat er meer boeren kwamen: zes op de zeven verdwenen juist. Elk overgebleven bedrijf werd exponentieel groter. Dat is buiten proportie.
Onze maat is vol. De veestapel moet krimpen.





