Afgelopen woensdag was het precies twintig jaar geleden dat Nicholas Stern zijn 'The Economics of Climate Change' publiceerde. Daarin rekende hij door dat nietsdoen duurder is dan maatregelen treffen. Hij stelde dat de klimaatcrisis een marktfout is, omdat de prijs van fossiele brandstoffen niet de schade weerspiegelt die ze elders veroorzaken (zoals overstromingen, droogte en misoogsten). En betoogde dat economische groei prima samengaat met minder broeikasgassen, mits je tijdig investeert in een CO2 arme economie. Zijn rapport werd destijds als radicaal beschouwd.
Toonaangevende economen, onder wie William Nordhaus van Yale, stelden begin jaren negentig dat landen zich het beste konden instellen op 'gematigde' opwarming van 3 tot 4 graden, omdat ingrijpen duurder zou zijn dan de schade. Nordhaus publiceerde in 2018 een studie waarin 3 graden opwarming de wereldeconomie slechts 2,1 procent zou kosten en zelfs 6 graden maar 8,5 procent. Dat jaar kreeg Nordhaus de Nobelprijs; wereldwijd baseren economen zich nog steeds zijn modellen.
Het gevolg van deze dominante overtuiging (die een hoop mensen prima uitkomt) is dat regeringen nog steeds niet handelen, beurzen fossiele bedrijven te hoog waarderen en verzekeraars die volgens recent onthulde documenten hun cijfers bijstellen om klimaatschade te verhullen.
Stern krijgt gelijk. Achteraf bleek hij zelfs nog voorzichtig: de opwarming en de schade gaan sneller dan hij berekende, terwijl duurzame energie goedkoper werd dan verwacht. Maar de dominante economische overtuiging verdwijnt niet zomaar. Regeringen, bedrijven en universiteiten rekenen nog grotendeels volgens een oude en inmiddels achterhaalde methode.
Het is ellendig om alsmaar weer te lezen dat we gewaarschuwd zijn. Maar laten we de moed niet verliezen om verandering te realiseren.





